Go to the first, previous, last chapter, overview.

8. Samenvatting

In deze licentiaatverhandeling wordt nagegaan hoe springstaarten, met een meestal geringe resistentie tegen uitdrogen, kunnen overleven in het xerotherme duinhabitat van onze Vlaamse kust. Om te ontsnappen aan de droge en warme condities tijdens de zomermaanden zijn zowel seizoengebonden als diurnale aanpassingsmechanismen aanwezig. Een bemonstering door middel van kleine pitfalls (Ø 14 mm) liet een beschrijving van het activiteitspatroon van de meest abundante springstaartsoorten toe. Aan de hand van dit patroon konden enkele interessante gegevens blootgelegd worden. De reproductie vindt plaats in alle drie de bemonsterde habitatten namelijk, de mosduinen in de voorduinen (dicht bij zee), de aanpalende duinroosruigte en de verder van de zee verwijderde mosduinen langs de binnenduinrand. Daarna vertonen Entomobrya nivalis en voornamelijk Isotoma viridis een seizoengebonden, horizontale migratie naar de vochtigere duinroosruigte waar de juvenielen tot ontwikkeling kunnen komen. Xenylla maritima, die de grootste activiteit vertoont in het begin van de herfst, heeft in tegenstelling tot de twee andere soorten een duidelijke voorkeur voor de mosduinen langs de binnenduinrand. De bijzonder lage activiteit tijdens de wintermaanden doet suggereren dat de springstaarten deze periode overbruggen in een inactieve toestand. Het voorkomen van twee generaties per jaar van Isotoma viridis is eveneens een reflectie van de seizoengebonden klimatologische fluctuaties in het duinhabitat. Naast deze seizoengebonden periodiciteiten treffen we ook diurnale fluctuaties aan in het activiteitspatroon van de springstaarten. De opvallend hogere activiteit van Isotoma viridis en Entomobrya nivalis aan het bodemoppervlak tijdens de late avond is een aanwijzing voor het voorkomen van een diurnale vertikale migratie. Xenylla maritima die zich s avonds voornamelijk in de diepere bodemlagen bevindt, zou vooral overdag actief zijn. De significante correlatie tussen de activiteit van Isotoma viridis en Trichopterna cito (een predatorische dwergspin) toont aan dat het relatieve voorkomen van de predator afhankelijk is van de aanwezigheid van de prooi. Uit de studie omtrent de horizontale verspreiding blijkt dat Entomobrya nivalis opvallend minder voorkomt in de mosduinen waar de bodemontwikkeling en dus het bodemvochtgehalte minimaal is.

SUMMARY

In this licentiate thesis we explore how springtails, although they only have a small resistance against dehydration, can survive in xerotherm dune habitat of our Flemish cost. To escape from the dry and hot conditions during the summer months, seasonal as well as diurnal adaptation mechanisms are present. Sampling by means of small pitfalls (Ø 14mm) allowed the description of the locomotory activity pattern of the most abundant sorts of springtails. On the basis of this pattern, some interesting information could be revealed. Reproduction takes place in all the three sampled habitats: the moss dunes in the front dunes (close to the see), the adjoining burnet brushwood and the moss dunes further removed from the see along the inside dune edge. Thereafter Entomobrya nivalis and mainly Isotoma viridis show a seasonal, horizontal migration to the humid burnet brushwood where the juveniles can develop. Xenylla maritima, which shows the highest activity in the beginning of the autumn has, contrary to the other two sorts, a marked preference of the moss dunes along the inside dune edge. The particularly low activity during the winter months suggests that the springtails bridge this period in an inactive condition. The appearance of two generations a year of Isotoma viridis is also a reflection of the seasonal climatological fluctuations in the dune habitat. In addition to this seasonal periodicities we also observed diurnal fluctuations in the activity pattern of the springtails. The notably higher activity of Isotoma viridis and Entomobrya nivalis on the surface during the evening is an indication of the appearance of a diurnal vertical migration. Xenylla maritima, which is mainly located in the deeper ground sections during the evening, would be mainly active during the day. The significant correlation between the activity of Isotoma viridis and Trichopterna cito (a predatory dwarf spider) shows that the relative appearance of the predator is depending on the presence of the prey. From the study about the horizontal distribution it seems that Entomobrya nivalis appears notably less in the moss dunes, where the soil development and consequently the soil humidity is minimal.

Bijlagen

Lijst met figuren :

Fig. B.1: Box-Whisker plot van het gemiddeld aantal individuen van Isotoma viridis per dag voor de verschillende periodes.

Fig. B.2: Box-Whisker plot van het gemiddeld aantal individuen van Isotoma viridis voor de drie habitatten (MD, DR, BD).

Fig. B.3: Box-Whisker plot van het gemiddeld aantal individuen van Isotoma viridis per habitat voor de verschillende periodes.

Fig. B.4: Box-Whisker plot van het gemiddeld aantal individuen van Entomobrya nivalis per dag voor de verschillende periodes.

Fig. B.5: Box-Whisker plot van het gemiddeld aantal individuen van Entomobrya nivalis voor de drie habitatten (MD, DR, BD).

Fig. B.6: Box-Whisker plot van het gemiddeld aantal individuen van Entomobrya nivalis per habitat voor de verschillende periodes.

Fig. B.7: Box-Whisker plot van het gemiddeld aantal individuen van Xenylla maritima per dag voor de verschillende periodes.

Fig. B.8: Box-Whisker plot van het gemiddeld aantal individuen van Xenylla maritima voor de drie habitatten (MD, DR, BD).

Fig. B.9: Box-Whisker plot van het gemiddeld aantal individuen van Xenylla maritima per habitat voor de verschillende periodes.

Fig. B.10: Box-Whisker plot met periode (dag/nacht) als variabele voor :< < <

    1. Bodemtemperatuur, 2) Bodemvochtigheid,

3) Oppervlaktetemperatuur, 4) Luchtvochtigheid.

Fig. B.11: Box-Whisker plot met periode (dag/nacht) als variabele voor het totaal aantal collembolen in het aspiraat (NS verschil).

Fig. B.12: Box-Whisker plot met periode (dag/nacht) als variabele voor het totaal aantal collembolen in de bodemstalen (S verschil).

Fig. B.13: Box-Whisker plot met periode (dag/nacht) als variabele, voor Isotoma viridis in het aspiraat (S* verschil).

Fig. B.14: Box-Whisker plot met periode (dag/nacht) als variabele, voor Isotoma viridis in het aspiraat (NS verschil).

Fig. B.15: Box-Whisker plot met periode (dag/nacht) als variabele, voor Isotoma viridis in de bodemstalen (NS verschil).

Fig. B.16: Box-Whisker plot met periode (dag/nacht) als variabele, voor Entomobrya nivalis in het aspiraat (NS verschil).

Fig. B.17: Box-Whisker plot met periode (dag/nacht) als variabele, voor Entomobrya nivalis in de bodemstalen (NS verschil).

Fig. B.18: Box-Whisker plot met periode (dag/nacht) als variabele, voor Lepidocyrtus cynaeus in het aspiraat (NS verschil).

Fig. B.19: Box-Whisker plot met periode (dag/nacht) als variabele, voor Lepidocyrtus cynaeus in de bodemstalen (NS verschil).

Fig. B.20: Box-Whisker plot met periode (dag/nacht) als variabele, voor de Poduroidea in het aspiraat (NS verschil).

Fig. B.21: Box-Whisker plot met periode (dag/nacht) als variabele, voor de Poduroidea in de bodemstalen (NS verschil).

Fig. B.22: Box-Whisker plot van het gemiddeld aantal inidividuen van Entomobrya nivalis per habitat (A,B,C) (S verschil).

Fig. B.23: Box-Whisker plot van het gemiddeld aantal inidividuen van Isotoma viridis per habitat (A,B,C) (NS verschil).

Fig. B.24: Box-Whisker plot van het gemiddeld aantal inidividuen van Orchesella cincta per habitat (A,B,C) (NS verschil).

Fig. B.25: Grafiek van de correlatie tussen het aantal individuen van Entomobrya nivalis en de mate van bodemontwikkeling.

Fig. B.26: Grafiek van de correlatie tussen het aantal individuen van Entomobrya nivalis en de dikte van bodemontwikkeling en fragmentatielaag samen.

Fig. B.27: Grafiek van de correlatie tussen het totaal aantal collembolen en de mate van bodemontwikkeling.

 < < <

Lijst met tabellen:

Tabel B.1: Vangstaantallen per periode voor de drie habitatten (MR, DR, BD).

Tabel B.2: Totalen en gemiddelden van de vangstaantallen per habitat.

Tabel B.3: ANOVA -tabel van Isotoma viridis met F: variantie en p: significantie.

Tabel B.4: Scheffé test met de periode als variabele, voor het voorkomen van Isotoma viridis.

Tabel B.5: Scheffé test met het habitat als variabele, voor het voorkomen van Isotoma viridis.

Tabel B.6: Scheffé test met periode en habitat als variabelen, voor het voorkomen van Isotoma viridis.

Tabel B.7: ANOVA-tabel van Entomobrya nivalis met F: variantie en p: significantie.

Tabel B.8: Scheffé test met de periode als variabele, voor het voorkomen van Entomobrya nivalis.

Tabel B.9: Scheffé test met het habitat als variabele, voor het voorkomen van Entomobrya nivalis.

Tabel B.10: Scheffé test met periode en habitat als variabelen, voor het voorkomen van Entomobrya nivalis.

Tabel B.11: ANOVA-tabel van Xenylla maritima met F: variantie en p: significantie.

Tabel B.12: Scheffé test met de periode als variabele, voor het voorkomen van Xenylla maritima.

Tabel B.13: Scheffé test met het habitat als variabele, voor het voorkomen van Xenylla maritima.

Tabel B.14: Scheffé test met periode en habitat als variabelen, voor het voorkomen van Xenylla maritima.

Tabel B.15: Metingen van de lichaamslengte van Isotoma viridis (gefixeerde specimens).

Tabel B.16: Het aantal collembolen per grootteklasse voor de verschillende periodes.

Tabel B.17: Verdeling van het aantal collembolen in de bodemstalen over twee substalen: 1) bodemlaag van 0 tot 2,5 cm.

2) bodemlaag van 2,5 tot 6 cm.

Tabel B.18: Vangstaantallen per periode (dag/nacht). Periode 1: aspiraat dag, periode 2: aspiraat nacht, periode 3: bodemstaalname dag, periode 4: bodemstaalname nacht. Tot de restgroep behoren Parisotoma notabilis, Cryptopygus thermophila, Orchesella villosa, Orchesella cincta, Sphaeridia pumilis en Sminthurus spec..< < < <

Tabel B.19: Mann Whitney U test met periode (dag/nacht) als variabele voor:

    1. Bodemvochtigheid, 2) Bodemtemperatuur,

3) Oppervlaktetemperatuur, 4) Luchtvochtigheid.< < < <

Tabel B.20: Vangstaantallen van spinnen en collembolen per staal.

Tabel B.21: Bepaling van het aggregatietype voor Isotoma viridis.

Tabel B.22: Bepaling van het aggregatietype voor Entomobrya nivalis.

Tabel B.23: Bepaling van het aggregatietype voor Orchesella cincta.

Tabel B.24: Weergave van de variantie (F) en significantie (p) voor het voorkomen van Isotoma viridis, Entomobrya nivalis en Orchesella cincta.

Tabel B.25: Scheffé test met habitat (A,B,C) als variabele, voor het voorkomen van Entomobrya nivalis.

Tabel B.26: Correlatie tussen de verschillende bodemkenmerken en het aantal collembolen. r: correlatiecoëfficiënt, r2: deze waarde geeft weer hoeveel procent van de correlatie bepaald wordt door het bodemkenmerk, p: significantie-waarde.

Tabel B.27: Correlatie tussen het aantal spinnen en collembolen. r: correlatiecoëfficiënt, r2: deze waarde geeft weer hoeveel procent van de correlatie bepaald wordt door die spinnensoort, p: significantie-waarde.

Tabel B.28: Determinatie, geslachtsbepaling en vangstaantallen van de spinnen per staal.

 < < < <


Go to the first, previous, last chapter, overview.