Go to the first, previous, next, last chapter, overview.

5. Inleiding

A       Populierenproject

 

In 1999 heeft het IBW, het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, het initiatief genomen om een onderzoek uit te voeren naar de biodiversiteit in populierenbossen en de invloed hierop van diverse beheersmaatregelen.  Het project “Evaluatie van beheersmaatregelen om de ecologische waarde van populierenaanplantingen te optimaliseren" werd opgestart.

Momenteel bestaat ongeveer 10 % van de Vlaamse bossen uit populierenbos en gezien de hoge productiviteit van deze boomsoort zullen de houtproducerende boseigenaars nog geruime tijd populieren blijven aanplanten.  Daarom is het van belang na te gaan hoe deze bossen op vlak van ecologische waarde kunnen geoptimaliseerd worden.

De ecologische waarde van een ecosysteem is geen objectief gegeven, maar veronderstelt een beoordeling op basis van een aantal indicatorsoorten, waarvan de zeldzaamheid of de relatie met specifieke abiotische factoren reeds gekend is.  Indicatorgroepen moeten sterk reageren op kleine veranderingen op lokale schaal, zoals op bestandsniveau, die door de bosbeheerder kunnen beïnvloed worden.  Groepen die eerder op landschapsniveau reageren, zoals de vogels, worden om deze reden niet onderzocht.  Op basis van deze criteria werden de volgende groepen gekozen: vaatplanten, springstaarten of Collembola, de vliegenfamilie van de Sphaeroceridae, de keverfamilie van de Carabidae en de Araneae of spinnen.  De vaatplanten worden door het IBW geïnventariseerd en de Collembola en de Sphaeroceridae worden door de Universiteit Antwerpen of Rijksuniversitair Centrum Antwerpen (RUCA) onderzocht.

Vaatplanten en invertebraten reageren beide sterk op kleine veranderingen op lokale schaal, zoals op bestandsniveau, die door het bosbeheer beïnvloed kunnen worden.  Bovendien bestaan er voldoende verschillen in indicatieve waarde tussen vaatplanten en ongewervelden, zodat ze elkaar aanvullen.

Ook een aantal andere gegevens zullen onderzocht worden zoals de samenstelling van bladstrooisel van populieren, in vergelijking met inheemse soorten.  De concrete doelstellingen van het gehele project kunnen als volgt geformuleerd worden (overgenomen uit de oorspronkelijke projectvoorstelling):

·        evaluatie van het effect van maatregelen om voor of na bebossing met populieren de voedselrijkdom van de bodem te reduceren en de ecologische waarde te verhogen;

·        evaluatie van het effect van het aanplanten van een onderetage op de migratiemogelijkheden van climaxsoorten in recente populierenaanplantingen;

·        evaluatie van de impact van de kaalslag van populierenaanplantingen op climaxsoorten en de veerkracht van populaties van deze soorten;

·        vergelijking van populierenklonen onderling en van populierenklonen met zomereik (Quercus robur L.) en gewone es (Fraxinus excelsior L.) voor wat betreft chemische bladsamenstelling en fenologie.

B       Doelstelling deelproject Collembola

Het deelproject rond de Collembola is opgericht als één van de onderzoeken in het kader van het eerder besproken project “Evaluatie van beheersmaatregelen om de ecologische waarde van populierenaanplantingen te optimaliseren".  De beheersmaatregel die hier onder de loep genomen wordt, is het aanplanten van een ondergroei om de biodiversiteit van een populierenaanplant te verhogen.  De Collembola of springstaarten zullen hier gebruikt worden als diergroep om de verschillende onderzochte gebieden te vergelijken.

De concrete vraag hier is: “Is het nuttig in een populierenaanplanting een ondergroei aan te planten om zo de biodiversiteit te verhogen of niet”?

C       Informatie stageplaats

De stage heeft plaatsgevonden aan de Universiteit Antwerpen (RUCA).  Naast tal van opleidingsmogelijkheden is er een uitgebreid onderzoeksgedeelte verbonden aan het RUCA.  Verschillende departementen zijn met onderzoek bezig.  De stage heeft plaatsgevonden bij de onderzoeksgroep evolutionaire biologie.  De hierna volgende informatie is afkomstig van de website van het RUCA.

Het RUCA groeide gedeeltelijk uit het "Hoger Handelsgesticht" dat in 1852 is opgericht na akkoord tussen het Antwerpse havenmilieu, het stadsbestuur en de regering.  Het statuut van de instelling werd in de loop der jaren gewijzigd.  Als Rijkshandelshogeschool (Institut Supérieur de Commerce de l'Etat) werd in 1952 het eeuwfeest gevierd.

In die periode begon men in Antwerpen de behoefte aan een ruime waaier van hogere studies te voelen.  Bovendien kwam toen de discussie op gang omtrent de spreiding van het universitair onderwijs.  Het was de bedoeling op die manier het universitair onderwijs te democratiseren en de Vlaamse achterstand weg te werken.

Uit die bekommernis groeiden een aantal nieuwe initiatieven zoals o.m. de organisatie van een programma voor Handelsingenieurs en de oprichting van het Hoger lnstituut voor Vertalers en Tolken.  Verder kreeg men de toelating de graad van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs af te leveren.  De wet van april 1965, die de legale basis legde voor de verruiming van het universitair onderwijs in Antwerpen, leidde tot de oprichting van het Rijksuniversitair Centrum (RUCA).

 


Go to the first, previous, next, last chapter, overview.