Go to the first, previous, next, last chapter, overview.

8. Resultaten

 

3.1     Faunistiek

 

3.1.1  Sleutel

Tijdens het uitzoeken werden de Collembola reeds voorgesorteerd per orde.  Achteraf werden de Entomobryomorpha verder ingedeeld in de families van de Entomobryidae, Isotomidae en Tomoceridae.  Als laatste stap voor het determineren werden de dieren samengelegd als morpho-species.  Bij deze stappen werden sommige dieren foutief ingedeeld, wat dan in de volgende stap terug duidelijk werd.  Na verloop van tijd vallen sommige kenmerken van bepaalde groepen zo op, dat ze onmogelijk nog verkeerd kunnen gelegd worden.  Zo zijn de lange derde antennesegmenten en grote derde lichaamssegmenten van de Tomoceridae al snel herkenbaar na verloop van tijd, waar men juveniele exemplaren in het begin toch nog foutief kan indelen bij de Entomobryidae.

Op basis van dit verschijnsel heeft de heer Frans Janssens voorgesteld een nieuwe sleutel op te stellen.  Deze sleutel zou dan eerder praktisch dan theoretisch van aard zijn.  De bedoeling van deze nieuwe sleutel is om mensen, die op het veld Collembola tegenkomen, in staat te stellen deze dieren gemakkelijk te determineren zonder dat daarbij zwaardere microscopen nodig zijn.  De kenmerken waarop gedetermineerd wordt zijn makkelijk herkenbaar.

Tijdens de determinaties werden altijd de kenmerken opgeschreven waar in eerste instantie de groepen aan herkend konden worden.  Deze kenmerken werden dan in een tekstfile verwerkt.  Voor het aanmaken van de sleutel is het computerprogramma DELTA gebruikt.  Dit programma stelt aan de hand van de gemaakte file een dichotome sleutel op.  Hierna volgt de sleutel die tot stand gekomen is voor de tegengekomen Collembola.

Deze sleutel is een voorlopig werkmiddel.  Het is nu de bedoeling dat deze sleutel op het veld zal getest worden.  Zo kunnen andere algemene soorten mee opgenomen worden en onregelmatigheden uit de voorlopige sleutel gehaald worden.

1(0).     Antenneleden onderverdeeld                                                                            2

            Antenneleden niet onderverdeeld                                                                     4

2(1).     Patroon van de rugtekening zonder speciale vorm, enkel verspreide zwarte

            vlekken over het hele lichaam                                                Orchesella villosa

            Patroon van de rugtekening duidelijk als een tekening op één van de

            segmenten                                                                                                      3

3(2).     Rugtekening aanwezig als een zwarte driehoek op thoraxsegment 3

                                                                                                    Orchesella flavescens

            Rugtekening aanwezig als een zwarte band op abdominaal segment 4

                                                                                                          Orchesella cincta

4(1).     Segmenten versmolten, algemeen uitzicht rond                                                5

            Segmenten verdeeld, algemeen uitzicht ovaal                                                   6

5(4).     Antennelengte in vergelijking met kop langer, antenne met opvallende knik;

            furca tot aan de poten reikend                                                     Symphypleona

            Antennelengte in vergelijking met kop korter, antenne zonder opvallende knik;

            furca tot halfweg het abdomen reikend                                            Neelipleona

6(4).     Grootte van de abdominale segmenten ongeveer gelijk                                    7

         Eén of twee abdominale segmenten opvallend groter dan de andere               12

7(6).     Furca tot halfweg het abdomen reikend, antennelengte in vergelijking met kop

            korter; antenne- en lichaamssegmenten uitgestulpt; lengte/breedte verhouding

            tussen 2 en 4                                                                              Poduromorpha

            Furca tot aan de poten reikend; antennelengte in vergelijking met kop langer;

            antenne- en lichaamssegmenten niet uitgestulpt, lengte/breedte verhouding

            tussen 4 en 10                                                                                                 8

8(7).     Oogvlek normaal gepigmenteerd                                                                     9

            Schijnbaar 4 oogvlekken door opsplitsing van de twee bestaande

            oogvlekken                                                                  Folsomia quadrioculata

9(8).     Trichobotria aanwezig                                                                                   10

            Trichobotria afwezig                                                                                     11

10(9).  Dorsale abdominale macrosetae geveerd                           Isotomurus plumosus

           Dorsale abdominale macrosetae glad                                  Isotomurus palustris

11(9).  3 tanden op de mucro                                                                 Isotoma viridis

           4 tanden op de mucro                                                             Isotoma olivacea

12(6).   Abdominaal segment 4 veel groter dan de andere abdominale

            segmenten                                                                                                     13

            Abdominaal segment 3 heel veel groter en abdominaal segment 4 groter dan de

            andere abdominale segmenten                                                                        16

13(12). Homogene kleuring van het lichaam                                                              14

            Kleur een opvallende tekening van lijnen of vlekken                                       15

14(13). Ogen aanwezig                                                               Lepidocyrtus lignorum

            Dier bijna blind                                                                   Heteromurus nitidu

15(13). Patroon van de rugtekening zonder speciale vorm, enkel verspreide zwarte

            vlekken over het hele lichaam                                        Entomobrya muscorum

            Patroon van de rugtekening duidelijk als een tekening op één van de

            segmenten                                                                           Entomobrya nivalis

16(12). 2 lamellen basaal aan de binnenkant van de dentes; formaat van de dorens op de

            dorsale zijde van de dentes klein                            Pogonognathellus flavescens

            Geen 2 lamellen basaal aan de binnenkant van de dentes; formaat van de dorens

            op de dorsale zijde van de dentes groot                                                          17

17(16). Dorsale dorens op de dentes drietandig                                  Tomocerus minor

            Dorsale dorens op de dentes enkelvoudig                            Tomocerus vulgaris

3.1.2 Dieren

In totaal werden gedurende de stageperiode 4501 springstaarten gedetermineerd, behorend tot vijftien verschillende soorten.  Deze exemplaren komen uit twee verschillende bossen, namelijk het Raspaillebos en de Dijlevallei, met respectievelijk drie en vier plots.  De vijftien soorten behoren allen tot de Entomobryomorpha.  Dit komt omdat het determineren pas gestart is na het uitzoeken van de twee bossen en er niet genoeg tijd bleek over te zijn om ook de Poduromorpha en de Symphypleona op naam te brengen.  In de tabel met de gegevens over de aantallen is er nog een zestiende kolom.  Deze bevat ook het grootste aantal exemplaren, namelijk bijna de helft van alle dieren.  Het betreft hier de juvenielen van Isotomurus palustris en Isotomurus plumosus, welke niet van elkaar te onderscheiden zijn, tenzij men een vergroting gebruikt die nog hoger is dan welke beschikbaar was.  Gezien deze kolom toch gecorreleerd is met de beide soorten Isotomurus en een veel te groot gewicht aan sommige berekeningen geeft, werd ze weggelaten voor de DCA-analyse en de indicatorwaardeberekeningen.  Verder werden nog drie soorten uit de verwerking gelaten, namelijk Entomobrya muscorum, Heteromurus nitidus en Tomocerus vulgaris.  Deze drie soorten hadden elk maar één vertegenwoordiger, wat hun verschijnen eerder een uitzondering maakt.  Bij twee van de drie soorten valt dit makkelijk te verklaren.  Entomobrya muscorum is een soort die eerder in de struiklaag voorkomt dan op de bodem.  Het exemplaar in de gegevens is waarschijnlijk door bijvoorbeeld een windstoot in de val beland.  Heteromurus nitidus is dan weer een soort die in de bodem leeft.  Het dier dat hiervan werd gevonden kwam dan ook uit een val waar een hoeveelheid grond in terechtgekomen was.  De vier soorten die voor de DCA-analyse weggelaten zijn, werden wel mee gebruikt in de berekeningen van de Simpson index en de Shannon index.

In tabel 1 (bijlage B) staan de aantallen van de Collembola per soort en per val.  De codes voor de springstaarten bestaan uit de eerste drie letters van de genusnaam en de eerste drie letters van de soortnaam.  De kolommen die geel aangeduid zijn, zijn die van de soorten die weggelaten werden bij de DCA-analyse.

3.1.2.1 Aantal individuen per soort

Een normale evenwichtige gemeenschap bevat gewoonlijk zeer veel zeldzame soorten en maar een paar abundante soorten.  Dit vinden we ongeveer in de resultaten terug.  Er zijn wel iets meer abundante soorten en maar een paar echt zeldzame, wat waarschijnlijk te wijten is aan de vrij jonge leeftijd van de bossen.

3.1.2.2 Soorten- en exemplarenrijkdom

Het aantal soorten per plot varieert van drie tot elf, waarbij de juvenielen van de twee soorten Isotomurus als een aparte soort geteld worden.  Er is echter geen duidelijke lijn tussen de plots te trekken wat soortenrijkdom betreft.  Sommige plots vallen wel op, zoals de hazelaarplot in de Dijlevallei welke gemiddeld tien soorten bevat, wat iets hoger is dan de meeste andere plots.  Soms bevat een val veel minder soorten en exemplaren per soort dan de twee andere vallen van dezelfde plot.  Dit is dan het gevolg van het doorspoelen van de inhoud van de val met water, indien er grond aanwezig was in de val.  De vallen die zich in deze situatie bevonden zijn de derde val van de plot zonder ondergroei in de Dijlevallei en de derde val van de plot met zwarte els in hetzelfde gebied.  In de derde val zonder ondergroei in het Raspaillebos zaten iets minder exemplaren omwille van dezelfde reden, maar was het aantal soorten wel normaal.  Dit was ook zo voor de derde val van de hazelaarplot in de Dijlevallei.

3.1.2.3 Soortenlijst

Hieronder vindt u een soortenlijst van alle Collembola die gevonden zijn, met daarbij een algemene beschrijving en een foto van de soorten.  Deze bespreking is gebaseerd op de werken van Gisin, 1960; Perrier, 1964; Palissa, 1964; en Fjellberg, 1980.

-         Folsomia Willem, 1902

 

-         quadrioculata Tullberg, 1871 (syn. Isotoma quadrioculata)

Deze soort is ongeveer 1,6 mm groot, maar kan 0,9 tot 2,5 mm zijn.  De soort heeft een holarctische verspreiding en komt in Europa overal voor.  Het is in onze streken een algemene bodembewonende soort.  De dieren zijn pigmentloos en lijken vier ogen te hebben doordat de oogvlek in twee gesplitst is.

 

-         Isotoma Bourlet, 1839

 

-         viridis Bourlet, 1839

Een 4 tot 6 mm grote soort, die waarschijnlijk een complex van meerdere soorten vormt.  Deze soort komt voor in heel Europa en op een aantal arctische eilanden.  Ze leeft op vochtige plaatsen, onder stenen, in humus en op vochtige weiden, maar ze vermijdt dichte bossen.  Ze springt ook vaak rond op sneeuw.  De soort is hygrofiel.  Ze heeft een homogene grijsachtige kleur, met een heel lichte tint groen erin.

-         tigrina Nicolet, 1842

In oudere boeken, zoals Gisin, hoort de beschrijving van Isotoma olivacea Tullberg, 1871 eigenlijk aan deze soort toe.  Exemplaren die met Gisin als olivacea gedetermineerd zijn, behoren dus tot de soort tigrinaIsotoma tigrina is 2,1 tot 2,5 mm.  De soort komt voor in Noord- en Midden-Europa.  Ze kan soms gevonden worden in bladstrooisel, maar komt vooral voor in compost en organisch materiaal in afbraak.  De soort is typisch voor de winterse omzettingsfase van compost.  De dieren zijn olijfgroen van kleur.

-         Isotomurus Börner, 1903

 

Bij het geslacht Isotomurus zijn zeer veel juveniele dieren van de beide soorten gevonden.  Het onderscheid tussen beide soorten is het al of niet aanwezig zijn van kleine haartjes op de macrosetae van het achterlichaam.  Dit is bij adulte dieren met een vergroting van 400 maal juist te zien.  Bij juvenielen is het niet mogelijk om deze onderverdeling te zien, waardoor alle jonge exemplaren als Isotomurus sp. opgenomen zijn in de lijst.

 

-         palustris (Müller, 1776) Folsom, 1937

Deze soort kan 1,5 tot 4 mm groot zijn, maar is gewoonlijk rond de 2,5 mm.  Ze is kosmopoliet, mogelijk op de arctische eilanden na, maar ze is voor haar habitats gebonden aan vochtige plaatsen.  De dieren komen in groepen voor op oevers, of zelfs op stilstaand water.  Ze zitten ook in moerassen en broekbossen. De kleur is homogeen bruingrijs.

 

-         plumosus Bagnall, 1940

Deze soort lijkt qua uitzicht sterk op de vorige.  Ook de grootte is gelijk.  De verspreiding gaat van West-Europa, Groot-Brittannië inclusief, naar Oost-Europa (Oekraïne) en verder tot in Rusland.  Isotomurus plumosus is eveneens aan vrij vochtige plaatsen gebonden, maar zit eerder in mos en onder stenen.

-         Entomobrya Rondani, 1861

 

-         muscorum (Nicolet, 1841)

Dit is een 2 tot 3,5 mm grote soort uit Midden-Europa.  Ze is algemeen in bossen en leeft op kruiden en struiken. Het exemplaar van deze soort dat in de bodemvallen zat, is vermoedelijk door een windstoot uit de struiken geblazen en juist in de pot terechtgekomen.  De soort is zacht beige-roze-geel, met een vlekkige zwarte tekening.

 

 

 

 

 

 

-         nivalis (Linné, 1758) South, 1961

Met zijn 1,5 tot 2 mm is Entomobrya nivalis iets kleiner dan Entomobrya muscorum.  De soort is kosmopoliet en leeft op zonnige plaatsen op struiken en naaldbomen.  Ze is gebonden aan drogere habitats.  De grondkleur is dezelfde als bij Entomobrya muscorum, misschien iets duidelijker, maar de dieren kenmerken zich door een zwarte V-vormige tekening op het grote vierde abdominale segment.

 

-         Orchesella Templeton, 1835

 

-         flavescens (Bourlet, 1839)

Deze grote soort is 2,5 tot 6 mm groot.  Het is een Europese soort die veelvuldig voorkomt in het onderhout en in bladstrooisel van vochtige bossen.  De kleur is gelig beige en de soort kenmerkt zich door een zwarte driehoek op de dorsale zijde van de thorax.

 

-         cincta (Linné, 1758)

Met 3 tot 6 mm is deze soort vergelijkbaar in grootte met de vorige. Ook dit is een Europese soort, behalve dan voor subarctische en mediterrane gebieden waar we Orchesella cincta niet vinden.  De dieren leven aan alleenstaande bomen, op stammen in bossen, op weiden, onder mos en stenen, tussen gedroogde bladeren en op andere plaatsen.  Orchesella cincta heeft dezelfde kleur als de vorige soort, maar heeft een duidelijk zwarte gordel op het derde abdominale segment en mist de driehoek op de thorax.

 

-         villosa (Geoffroy, 1764) Kos, 1936

Met 5 mm is deze soort iets kleiner dan de vorige twee, maar toch nog een vrij groot dier.  De verspreiding is van Ierland tot Polen en van Spanje tot Roemenië.  De grondkleur is iets rozer dan de vorige twee soorten.  De dieren zijn sterk behaard en de zwarte tekening is hier aanwezig als een vlekkig patroon over het hele lichaam.

 

 

-         Heteromurus Wankel, 1860

 

-         nitidus (Templeton, 1835)

Deze kosmopolitische soort van 1 tot 3 mm is een solitaire soort die hoofdzakelijk in de grond voorkomt.  Ze kan tot diep in de grond zitten, in weilanden, in holen, onder grote stenen en in of op rottende boomwortels en bladeren.  Heteromurus nitidus is niet gepigmenteerd en quasi blind.  De oogvlek is soms nog juist als een zwak geelbruin puntje te zien.

 

-         Lepidocyrtus Bourlet, 1839

 

-         lignorum (Fabricius, 1781)

Dit is een Europese soort van 1,5 tot 3 mm.  Ze komt in zeer veel verschillende habitats voor, onder andere in verschillende plantengemeenschappen en in bossen.  Hier leeft ze onder mos, stenen, schors en dode bladeren. Lepidocyrtus lignorum is wit van kleur en kan naargelang van het invallend licht een metaalachtig kleureffect hebben.  Dit wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van schubben.

 

-         Tomocerus Nicolet, 1841

 

-         minor (Lubbock, 1862)

Tomocerus minor is met zijn 2 tot 4,5 mm een iets kleinere soort voor deze familie.  Deze algemene Europese soort vindt men ook in IJsland.  Ze leeft op zeer vochtige plaatsen zoals onder hout, in holen, onder mos en onder sommige paddestoelen.  De kleur is bruingrijs.  De dorsale doornen op de dentes zijn vertakt, zodat ze er als een drietand uitzien.

 

-         vulgaris (Tullberg, 1871)

Deze soort lijkt sterk op de vorige, maar mist de vertakking van de doornen op de dentes.  Ze wordt 2 tot 4 mm groot en komt voor van Midden-Finland en Groot-Brittannië tot Zuid-Frankrijk en voormalig Joegoslavië.  Ze leeft onder de bladeren, in het hout en in rottende stronken.

 

-         Pogonognathellus Paclt, 1944

 

-         flavescens (Tullberg, 1871)

Met 4 tot 6,5 mm is dit een grote soort binnen de Tomoceridae.  Deze Europese soort is algemeen op vochtige plaatsen, zoals onder mos en paddestoelen en komt ook wel in holen voor.  Het is een bossoort. Pogonognathellus was tot voor kort een subgenus van Tomocerus, maar werd door de aanwezigheid van twee

vlagachtige lamellen aan de binnenzijde

van de dentes in een apart geslacht gezet.


3.2     Diversiteiten

In tabel 2 (bijlage C) vinden we de Simpson index en de Shannon-Wiener index per val en per plot.  In figuur 34.1 staat per bos de Shannon index weergegeven ten opzichte van het feit of er zich ondergroei bevindt.  Hier zien we duidelijk dat de diversiteit in het Raspaillebos groter is dan deze in de Dijlevallei (F1,17 = 15.543, p = 0.001).  We merken ook op dat in het Raspaillebos de diversiteit schijnbaar hoger is in de plot zonder ondergroei, dan bij de plots met ondergroei.  In de Dijlevallei zien we juist het omgekeerde effect.  De interactie bos x ondergroei is echter niet significant (F1,17 = 0.910, p = 0.353).  Ook liggen per bos de waardes van wel en geen ondergroei dicht bij elkaar (F1,17 = 0.141, p = 0.712).  Hier is dus ook geen significant verschil.  Deze twee laatste factoren geven aan dat het feit of er ondergroei is of niet waarschijnlijk weinig of geen invloed op de diversiteit heeft.

Figuur 34.2 bevat dezelfde gegevens als de voorgaande figuur, maar dan specifiek per soort ondergroei en enkel voor het Raspaillebos.  We zien dat de plots zonder ondergroei en met kastanje ongeveer even goed scoren op vlak van diversiteit en dat de esdoornplot iets lager ligt, maar niet bijzonder veel.  Er is echter geen significant verschil tussen de plots (F2,6 = 0.019, p = 0.361), dus kunnen we stellen dat er geen verschil is.

Figuur 34.3 geeft ook de diversiteit per ondergroeisoort, maar dan voor de Dijlevallei.  Hier zien we dat hazelaar en meidoorn hoog scoren in vergelijking met de plot zonder ondergroei.  Opvallend is ook de lage waarde voor de plot met zwarte els als ondergroei.  We merken dat hier een significant verschil is (F3,8 = 0.037, p = 0.011).  Het verschil geeft hier twee groepen weer, namelijk hazelaar-meidoorn en zwarte els-geen ondergroei.

Als we gaan kijken naar de Simpson index komen we aan ongeveer dezelfde resultaten als met de Shannon index.  Buiten het feit dat kastanje hier een iets lagere diversiteit heeft dan geen ondergroei in het Raspaillebos en meidoorn iets hoger ligt dan hazelaar in de Dijlevallei zijn hier geen bijzondere resultaten meer op te merken.

Als we specifiek naar het aantal soorten per plot en per bos gaan kijken en de soortenaantallen buiten beschouwing laten, zien we dat ondergroei algemeen iets hoger scoort dan geen ondergroei, behalve voor één plot, namelijk deze met zwarte els.



Figuur 34.1: Grafiek van de Shannon index per bos.

(0 = geen ondergroei;

1 = ondergroei)

 
 



 

Figuur 34.2: Grafiek van de Shannon index per ondergroei in het Raspaillebos.

 


 

Figuur 34.3: Grafiek van de     Shannon index per ondergroei      in de Dijlevallei.

 



3.3     Similariteiten

Voor het analyseren van de similariteiten werd een beroep gedaan op de UPGMA clusteranalyse.  Deze werd uitgevoerd op basis van de Sørensen index.  In figuur 34.1 vindt u een dendrogram van de resultaten van deze analyse.

We zien dat de bossen vrij goed gescheiden blijven en dat de vallen met gelijke ondergroei binnen een bos ook ongeveer samenvallen.  Een afwijkende groep die we vinden is deze van NEEGEE 3 en NEEZWE 3, waar achteraf ook nog RASGEE 3 bijgevoegd wordt.  Dit zijn juist drie plots met minder exemplaren nadat de modder doorgespoeld werd.  Dat is dan ook de reden dat deze drie meer op elkaar lijken dan op de andere vallen van hun respectievelijke plots.  Verder zien we nog dat voornamelijk de kastanje- en de esdoornplot sterk samenhangen.  Ook de meidoorn- en de hazelaarplot hangen sterk samen, hoewel deze twee wel wat door elkaar liggen.

 


 

                              Sørensen afstand

          .009            .419            .830           1.241           1.651

          |-------+-------+-------+-------+-------+-------+-------+-------+

Overblijvende informatie (%)

     100.000          75.000          50.000          25.000            .000

          |-------+-------+-------+-------+-------+-------+-------+-------+

RASGEE-1  |-------------------|                                           

RASGEE-2  |                   |--------------------|                     

RASESD-1  --------|-----------|                    |                     

RASESD-2  |-------|                                |-----|               

RASESD-3  |                                        |     |               

RASKAS-1  |---|                                    |     |               

RASKAS-2  |   |------------------------------------|     |---------------|

RASKAS-3  ----|                                          |               |

NEEHAZ-1  -|------------|                                |               |

NEEHAZ-2  -|            |----------|                     |               |

NEEMEI-2  --------------|          |---------------------|               |

NEEMEI-1  -----------------|-------|                                     |

NEEMEI-3  -----------------|                                             |

RASGEE-3  ------------------------------|-----------------------|        |

NEEGEE-3  ---|--------------------------|                       |        |

NEEZWE-3  ---|                                                  |--------|

NEEGEE-1  -----|-----------------------------|                  |        

NEEGEE-2  -----|                             |------------------|        

NEEZWE-1  |----------|                       |                           

NEEZWE-2  |          |-----------------------|                           

NEEHAZ-3  -----------|

Figuur 36.1: UPGMA-analyse van de verschillende vallen.

 
 

 

 



3.4     DCA (Decorana)

Op pagina's 38, 39 en 40 vindt u de resultaten van de DCA.  De eerste twee grafieken (figuren 5 en 6) geven de resultaten weer ten opzichte van telkens twee assen.  De derde grafiek (figuur 7) geeft enkel nog de vallen weer, maar dan wel tegenover de drie assen geplaatst.  De coördinaten van de vallen en soorten op de DCA-grafiek vindt u in tabellen 3 en 4 (bijlage D).  Op deze ruimtelijke grafiek is duidelijk de samenhang te zien.  In de rechtse helft van de kubus vinden we het Raspaillebos, links de Dijlevallei.  Zeker in het Raspaillebos zien we een zeer grote samenhang van de vallen binnen een plot.  Als er nu een willekeurig staal van één van de plots zou binnenkomen en de resultaten zouden in de directe omgeving van de drie groene bolletjes komen, dan kunnen we bijna zeker zijn dat dit willekeurige staal van plot twee uit het Raspaillebos afkomstig is.  Verder kunnen we op de tweedimensionale grafieken nog zien dat sommige Collembola naar bepaalde bossen toeneigen, of dat bepaalde soorten gemakkelijk samen voorkomen.  Zo zien we dat Orchesella villosa en Isotoma viridis op beide grafieken dicht bij elkaar staan.  Ze zullen dus waarschijnlijk beide in dezelfde plots van de Dijlevallei in grotere hoeveelheden voorkomen dan in eender welke andere plot.

We zien dat de vallen van de drie plots in het Raspaillebos telkens zeer goed samenhangen.  De vallen zonder ondergroei liggen in een groepje bijeen, de vallen met kastanje in een ander groepje en de vallen met esdoorn in een derde groepje.  In de Dijlevallei liggen de plots iets minder van elkaar gescheiden, maar binnen elke plot liggen de vallen toch nog redelijk goed samen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Figuur 5: DCA-grafiek van de vallen en soorten met de 1e en 3e as.

 
 

 

 

 


 

Figuur 6: DCA-grafiek van de vallen en soorten met de 1e en 2e as.

 
 

 

 


 

 

 


 

 

Figuur 7: Driedimensionale DCA-grafiek met de verschillende vallen.

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 3.5    Indicatorsoorten

Tabellen 5, 6 en 7 (bijlagen E, F en G) geven een idee van mogelijke indicatorsoorten voor de onderzochte plots.  De eerste tabel (tabel 5) geeft de indicatorwaarde van de soorten per bos.  De tweede tabel (tabel 6) is voor de aan- of afwezigheid van ondergroei.  De derde en laatste tabel (tabel 7) geeft de informatie per ondergroeitype.  In de eerste tabel zien we dat er maar twee echte indicatorsoorten zijn, namelijk Isotoma tigrina en Orchesella flavescens, beide voor het Raspaillebos.  Zeker Orchesella flavescens valt op, gezien hij enkel in het Raspaillebos voorkomt en daar dan ook in elke val teruggevonden is.  Dit verklaart de indicatorwaarde van 100 %.  Isotoma tigrina komt wel in alle vallen van dit bos voor, maar er kwamen ook een paar exemplaren uit de vallen van de Dijlevallei.  Orchesella villosa komt enkel in de Dijlevallei voor, maar zit maar in een klein deel van de vallen.  Hierdoor is het niet zo'n goede indicator.  Ook vermeldenswaard is Isotomurus palustris.  Deze is het tegenovergestelde van een indicatorsoort.  De soort komt namelijk evenredig in beide bossen voor en wordt in beide bossen dan nog eens in alle vallen gevonden ook.

Als we gaan kijken naar de indicatorwaarde voor de aan- of afwezigheid van ondergroei (tabel 6), merken we op dat er geen enkele indicatorsoort overblijft.  Enkel Folsomia quadrioculata, Orchesella cincta en Orchesella villosa zijn het vermelden waard.  Hoewel ze niet in alle vallen met ondergroei voorkomen, vinden we van deze soorten toch geen enkele vertegenwoordiger in de vallen zonder ondergroei.  Een verklaring hiervoor kan mogelijk gevonden worden in het feit dat Orchesella hoofdzakelijk kruidenbewoners zijn en dus een ondergroei nodig hebben en dat Folsomia een humussoort is die mogelijk een wat dikkere strooisellaag vraagt.

Dan komen we aan de indicatorwaarde per type van ondergroei (tabel 7).  Hier valt nog één resultaat op, namelijk dat van Folsomia quadrioculata.  Deze soort blijkt hoofdzakelijk tot de kastanjeplot van het Raspaillebos beperkt te zijn en komt hier dan ook nog eens in alle vallen voor.  Hieruit kunnen we dus bijvoorbeeld besluiten dat, indien we een ongekend staal van één van de plots binnenkrijgen en Folsomia quadrioculata wordt gevonden, we te maken hebben met een val uit de kastanjeplot van het Raspaillebos.  We kunnen ook aannemen dat deze Collembolasoort vrij typisch is voor kastanjebomen, maar om hier zekerheid over te hebben is verder onderzoek noodzakelijk.

 


Go to the first, previous, next, last chapter, overview.