Go to the first, previous, next, last chapter, overview.

9. Discussie

 

4.1 ††† Vangen

De bodemvallen waren eigenlijk veel te groot voor Collembola, waardoor soms honderden dieren op twee weken tijd in ťťn enkele val terechtkwamen.† Dit kon opgelost worden door voor de Collembola specifiek een proefbuisje met formol in de grond te steken.† Maar gezien ook de loopkevers en de spinnen moesten gevangen worden, is er voor ťťn type grote val gekozen.

Bodemvallen op zich hebben nog een paar nadelen.† Ten eerste kan door bijmenging van regenwater de formol na een tijd te sterk verdund geraken, waardoor de inhoud van de pot begint te rotten.† Ten tweede kan er vrij veel zand en modder in de potten liggen, meestal erin gekomen door activiteit van muizen en andere dieren in de directe omgeving van de val.† Door modder is het soms bijna onmogelijk om nog veel springstaarten te zien liggen bij het uitzoeken.† Ten derde lopen er gemakkelijk muizen en amfibieŽn in, wat enerzijds zeer spijtig is voor de dieren in kwestie, maar anderzijds ook nog het probleem geeft dat formol, zeker bij muizen, niet sterk genoeg is om rotting tegen te gaan.† Zeker op warme momenten van het jaar kunnen zo potten gevonden worden met daarin een half ontbonden muis, heel veel los muizenhaar, een slijmerige en stinkende vloeistof, weggerotte insecten (die niet meer te determineren zijn) en een drijvend bacterievlies met daarin tientallen kevers van de familie van de doodgravers, welke op de rottingsgeur afkomen.† En zelfs in beter bewaarde vallen met een muis erin zit er dikwijls zo veel haar en dode huid, dat de inhoud van de val aaneen kleeft.† Dit vertraagt het uitzoeken zeer sterk en voor de determinatie worden bepaalde kenmerken, zoals rechtopstaande haren die nu tegen het lichaam kleven, moeilijk herkenbaar.

Een andere methode die toe te passen valt om Collembola te vangen is met core samples.† Hierbij wordt met een grondboor een staal uit de bosbodem genomen.† Deze stalen worden dan in een Berlese-toestel geplaatst.† Hierin worden de stalen boven een trechter geplaatst met een flesje met conserveringsmiddel eronder.† Boven het staal wordt een lamp geplaatst en onder de vangflesjes stroomt koud water.† Hierdoor ontstaat een vocht- en temperatuurgradiŽnt waardoor de dieren in de stalen naar onderen kruipen, uit het staal vallen en en zo in de conserveringvloeistof terechtkomen.† Deze techniek zal mogelijk nog in het verdere verloop van het project gebruikt worden.

4.2 ††† Uitzoeken

Tijdens het uitzoeken werden er een aantal Ďprobleempottení geconstateerd.† Dit zijn vallen waar door bijmenging van dode muizen, dode slakken of modder het uitsorteren sterk vertraagd werd.† Bij de eerste twee types viel er niet veel aan te doen, dus moesten deze traag uitgezocht worden.† De moddervallen daarentegen konden niet volledig uitgezocht worden zonder er verschillende dagen tijd in te steken en dan nog vele kleine exemplaren over het hoofd te zien.† Eťn mogelijke oplossing hiervoor is een flotatietechniek.† Hierbij wordt de inhoud van de pot in een speciale vloeistof gebracht, waarna er luchtbellen doorheen het mengsel gestuurd worden.† Door de vloeistof blijven de luchtbellen aan organisch materiaal hangen, maar niet aan het zand.† Hierdoor komen de insecten in een drijflaag terecht die als het ware afgeroomd kan worden.† Deze techniek vraagt echter veel tijd en werk en ook de juiste chemicaliŽn.† De methode die als alternatief werd gebruikt, ging als volgt: de inhoud van de pot werd in het ziftje gebracht en dan gespoeld met gewoon kraantjeswater.† Het zand vloeide op deze manier weg, maar spijtig genoeg ook een deel van de kleine Collembola en ook van een deel van bijvoorbeeld de mijten.† Toch was dit relatief gezien de beste oplossing, aangezien het niet veel tijd in beslag nam en er ook geen chemicaliŽn moesten gebruikt worden.† Naar het einde toe werd deze techniek nog wat aangepast.† In plaats van te wachten tot alle zanddeeltjes weg waren, werd juist genoeg gespoeld om ongeveer tot op de bodem van de petrischaal te kunnen kijken.† Na het uitspoelen werd de inhoud van de zeef terug in de oorspronkelijke pot gedaan.† Bij het verdunnen van ethanol 94 % tot ongeveer 70 % warmt het mengsel lichtelijk op.† Hierdoor kan er minder lucht in opgelost blijven, die dan als zeer kleine belletjes uitgedreven wordt.† Door met een spuitfles met pas gemaakt mengsel in de massa in de pot te spuiten, hechten deze luchtbelletjes zich op het lichaam van de insecten vast.† De lichtere dieren, waar bijna alle Collembola bijhoren, komen dan bovendrijven.† Op die manier kunnen ze van het oppervlak van de petrischaal opgepikt worden.† Door af te sluiten met de normale zoekmethode kunnen de laatste springstaarten zo ook gevonden worden.

4.3 ††† Ondergroei of geen ondergroei

Eerst en vooral moet er gezegd worden dat er nog veel te weinig gegevens zijn om

tot een algemeen besluit te komen.† Er moeten immers nog een deel

Collembola gedetermineerd worden van de twee bestudeerde bossen en er zijn ook nog een aantal andere bossen en data die moeten onderzocht worden om het project af te ronden.† Er komen dus nog een aantal soorten ondergroei bij en maar eerst daarna kan vergeleken worden of hazelaar en meidoorn effectief de beste ondergroeisoorten zijn.

Bij de soorten zien we dat in de plot met zwarte els de twee soorten Isotomurus iets meer voorkomen dan in de andere plots.† Dit kan verklaard worden door het feit dat Isotomurus vaak in vochtige gebieden voorkomt.† Zwarte els is een typische soort voor natte gronden en broekbossen, wat de samenhang met Isotomurus kan verklaren.† De twee soorten Isotomurus komen echter ook vrij veel voor bij de hazelaar- en de esdoornplot.† Deze zijn minder vochtig.† De reden hiervoor is onduidelijk.

Als we naar de verdeling over geen of wel ondergroei kijken van de typische bossoorten zien we dat een aantal hiervan, namelijk Orchesella villosa, Orchesella cincta en Pogonognathellus flavescens meer in plots met ondergroei voorkomen.† Hieruit zouden we kunnen besluiten dat ondergroei voordelig is voor bossoorten.† We zien daarentegen dat Orchesella flavescens meer in plots zonder ondergroei voorkomt, hoewel dit ook een bossoort is.† Isotoma viridis is dan weer juist geen bossoort en deze komt ongeveer evenredig over wel en geen ondergroei voor.† Het is mogelijk dat het al of niet voorkomen van een soort eerder afhangt van voedselvoorziening, bodemvocht of een andere factor dan van al of geen ondergroei, maar hiervoor is verder onderzoek noodzakelijk.

We zien verder ook dat er een klein verschil is in diversiteit tussen de bossen, maar dat er toch een duidelijk verschil is in de soortendiversiteit, gezien de plots ver uiteen liggen in de DCA-grafiek.† Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de bossen naar diversiteit toe kwalitatief ongeveer gelijk zijn, maar dat de soortendiversiteit verschilt omdat de bossen in twee totaal verschillende streken liggen.† De Dijlevallei is vochtiger en ligt op afzettingsgronden, terwijl het Raspaillebos droger is en op een verweringsbodem ligt.† Ook de kruidlaag zal waarschijnlijk verschillen, waardoor er een ander humustype aanwezig is.

Op de in het begin van dit werk gestelde vraag of een ondergroei een effect heeft op de Collemboladiversiteit is het antwoord nee.† De plots zonder ondergroei liggen op vlak van diversiteit tussen de verschillende plots met ondergroei in.† Dit resultaat wordt door al de verschillende analyses bevestigd.

De samenhang van de vallen is duidelijk zichtbaar in de DCA en in de clusteranalyse.† Zeker voor het Raspaillebos liggen de DCA-coŲrdinaten van de vallen van een plot dicht bij elkaar.† Ook in de clusteranalyse is er voor bijvoorbeeld de kastanjeplot een similariteit van meer dan 90 % tussen de drie vallen.† In de Dijlevallei is deze samenhang iets minder groot.† In de meidoornplot is er bijvoorbeeld een val die een grotere similariteit vertoont met twee vallen van de hazelaarplot dan met de twee andere vallen van de meidoornplot.

Als we gaan kijken naar het soort ondergroei is er een duidelijker verschil tussen de plots dan bij een vergelijking van de aan- en afwezigheid van ondergroei.† Zo zien we dat hazelaar en meidoorn duidelijk beter scoren dan geen ondergroei.† Mogelijk is het strooisel van deze struiksoorten zeer rijk.† Zwarte els daarentegen is blijkbaar minder goed om aan te planten.† De reden hiervoor is minder duidelijk.† Elzen staan gewoonlijk op vochtige plaatsen en hebben een iets ruwere humus, dus zouden we grotere aantallen springstaarten verwachten.† Het is mogelijk dat bij elzen de waterstand gewoon te hoog is of dat het bladstrooisel van zodanig lage kwaliteit is dat er voor springstaarten niet veel voedsel in te vinden is.

Als we alle ondergroeitypes vergelijken, met de twee plots zonder ondergroei als referentie tussen de twee bossen, dan kunnen we besluiten dat het aanplanten van een ondergroei in een nieuwe populierenaanplant niet noodzakelijk is.† Indien er ondergroei wordt aangeplant, kan men best hazelaar of meidoorn zou zetten.† Ook kastanje zou nog gebruikt kunnen worden.


Go to the first, previous, next, last chapter, overview.