Go to the first, previous, next, last chapter, overview.

4. Resultaten en bespreking

4.1. Aggregatie

Uit de grafiek (Bijlage 2) van de gemiddelden en varianties genomen om het half uur, kan het besluit getrokken worden, dat het hier een populatie betreft die geaggregeerd voorkomt. Naarmate de tijd vordert, wordt de variantie groter, terwijl het gemiddelde constant blijft. De graad van aggregatie (var/gem) stijgt tot op een bepaald moment, waarna een lichte daling. De gedetailleerde grafiek (Bijlage 1), met gemiddelden en varianties om de vijf minuten, toont een schommelend verloop van de variantie en dus van de graad van groepering.

Brachystomella parvula vertoont evenzo een patroon van stijgende variantie in de tijd, tewijl het gemiddelde ongeveer constant blijft (Bijlage 4,6,8,10,12,14). Het verschil met Xenylla humicola is dat er hier bijna steeds een snijpunt is tussen het gemiddelde en de variantie tussen het half uur en het uur. Slechts na een uur vertoont de populatie een geaggregeerd patroon. De detailgrafieken (Bijlage 3,5,7,9,11,13) van het gemiddelde en de variantie, geven wederom een sterke schommeling van de variantie.

De algemene grafiek (Bijlage 15) van de graad van aggregatie stelt dat Xenylla humicola gemiddeld een hogere graad van aggregatie heeft.

Algemeen gaan de springstaarten, in de arena gebracht, als eerste reflex naar de kanten van de arena lopen, waarna ze gaan groeperen. Dit wordt duidelijk op de grafieken en tabellen, waarop de plaats, waar de collembolen zitten, voorgesteld wordt (Bijlage 16-28, 29-42).

4.2.Alarmferomoon

Xenylla humicola (Bijlage 44) reageert zeer duidelijk, de springstaarten verplaatsen zich naar de tegenovergestelde hoek van waar het alarmferomoon gelegen is. Soms zijn enkel de posities genoteerd van de collembolen die in de buurt komen van het alarmferomoon. Daaruit kan afgeleid worden, dat de springstaarten afwisselend op "onderzoek" uitgaan. Na een tiental minuten wordt de groep, die zich gevormd heeft in D4, opgesplitst in kleinere groepjes en gaan meerdere individuen uit op onderzoek. Degenen die op "onderzoek" uitgaan, blijven op een bepaalde afstand van het glasstaafje. Na verloop van

tijd naderen de verkennende springstaarten geleidelijk aan het alarmferomoon. De afstand die ze behouden gaat van een lengte van + zes keer de lengte van een volwassen individu na een aantal minuten tot een lengte van + drie volwassen individuen. Na anderhalf uur komen enkele individuen tot op een afstand van de lengte van één volwassen individu. De gemiddelden in de arena tonen een aanwezigheid van 0,6 individuen in de hoek waar het glasstaafje met alarmferomoon gelegd is. Terwijl in een blanco- hoek de er een aanwezigheid van 0,7 individuen vastgesteld werd. Dit is een zeer klein verschil, maar hier mogen niet te veel conclusies uit getrokken worden. De springstaarten kunnen wel in het hokje "huizen", maar ze kunnen zich nog relatief ver van het staafje bevinden.

Bij Brachystomella parvula (Bijlage 45-48) zijn er minder duidelijke resultaten, de springstaarten reageren wel op het alarmferomoon, maar enkele blijven zitten in de buurt van het alarmferomoon, anderen vertrekken pas na een kwartier naar een groep Collembola elders in de arena. De kleine arena heeft een aanwezigheid van 0,3 individuen bij de blanco en 0,1 individuen met het alarmferomoon in de arena, voor de desbetreffende plaatsen. Hoewel dit een groter verschil is dan bij Xenylla humicola, moet opgemerkt worden dat de individuen die in de buurt van het glasstaafje met alarmferomoon komen zich er weinig van aantrekken en er niet op een bepaalde afstand wegblijven. De grote arena toont een grotere aanwezigheid van springstaarten bij de proef met het alarmferomoon, nl. 0,4, dan bij de blanco-proef, nl. 0,1. Dit omdat één enkel individu blijft waar hij is in de buurt van het alarmferomoon, na een kwartier verlaat die zijn plaats.

Brachystomella parvula (Bijlage 51) reageert wel op het ‘alarmferomoon’ van Ceratophysella gibbosa, toch blijven drie individuen bij de glasstaaf zitten. Deze drie individuen zitten toch relatief ver van het ‘alarmferomoon, daar ze zich op de wand van de arena bevinden, afgeschut door gipsnoriet. Uit de gemiddelden kan niet afgeleid worden of de springstaarten zich verwijderen van de ‘gevarenzone’. Een aanwezigheid van 1,9 individuen voor de blanco en een aanwezigheid van 2,6 individuen in het bijzijn van het ‘alarmferomoon’.

De gegevens van de momentopnames laten blijken dat de springstaarten zich grotendeels wel verwijderen uit de buurt van het alarmferomoon.

Ceratophysella gibbosa (Bijlage 49-50) reageert de eerste seconden fel. Van de vijf individuen blijven er slechts twee op de plaats bij de ‘besmette’ glasstaaf. Na een kwartier blijft nog maar één enkel individu achter. Hoewel dit niet af te leiden valt van de gemiddelden; een gemiddelde van 0,4 individuen voor het blanco experiment en een gemiddelde van 1,8 individuen met het ‘alarmferomoon in de arena.

4.3. Reactie van de predator (Pelecopsis memoralis)

Vijf spinnen voorhanden met de nummers PN1, PN2, PN3, PN4 en PN13 (Tijskens, 2001).

De ‘tijd nodig om de prooi te vangen’ is telkens de tijd waarop een prooi gevangen wordt ten opzichte van de tijd waarop de spin in de arena geplaatst is.

De ‘tijd nodig om de prooi te verteren’ is de tijd waarop de resten van de springstaart, die niet verteerd worden, worden weggegooid ten opzichte van de tijd waarop de prooi gevangen werd.

 

Tijd nodig om de prooi te vangen

Tijd nodig om de prooi te verteren

SPIN 1(PN13): 1e prooi

51min

1u 31min

SPIN 2(PN2): 1e prooi

/

/

SPIN 3(PN3): 1e prooi

36min

1u 43min

Opmerkingen: Het is moeilijk voor Pelecopsis memoralis om zijn prooi te vangen. Isotoma viridis is een zeer actieve soort, die snel reageert als de predator in de buurt komt, door weg te springen. Spin 2 had na drie uur nog steeds geen prooi gevangen, de volgende dag had de spin een klein web geweven en waren er twee collembolen verdwenen.

De spinnen die een prooi gevangen hebben, blijven rustig op hun plaats zitten. Na een tiental minuten lopen zij toch een beetje rond met de prooi tussen de chelicerae. Indien een prooi gevangen is, is er geen interesse meer voor andere individuen.

 

Tijd nodig om de prooi te vangen

Tijd nodig om de prooi te verteren

SPIN 1(PN3): 1e prooi

1min

38min

2e prooi

7min

32min

3e prooi

45min

53min

SPIN 2(PN2): 1e prooi

3min

28min

SPIN 3(PN1): 1e prooi

2min

1u 58min

2e prooi

5min

1u55min

SPIN 4(PN4): 1e prooi

2min

/

2e prooi

3min

/

SPIN 5(PN13): 1e prooi

30min

58min

2e prooi

35min

53min

Opmerkingen: De prooi wordt duidelijk opgegeten. Aangezien Brachystomella parvula niet heel actief is, worden ze ook vlug gevangen. De twee eerste prooien worden meestal tegelijkertijd verteerd. De spinnen lopen tijdens het eten rond.

Spin 1 gooit zijn derde prooi eventjes weg, maar later neemt hij ze toch terug. Spin 4 daarentegen vangt twee keer een Brachystomella parvula, maar telkens gooit hij zijn prooi terug weg. Spin 5 heeft de arena verschillende keren doorlopen vooraleer een Brachystomella parvula te vangen. Uiteindelijk vangt de spin toch een springstaart, mits een kleine ‘twijfeling’ alvorens ze te vangen. Na vijf minuten wordt een tweede prooi mee tussen de chelicerae genomen.

De collembolen zelf, indien ze rondlopen, maken een grote bocht, of draaien terug, rondom de spin, die een prooi tussen zijn cheliceren vasthoudt.

 

Tijd nodig om de prooi te vangen

Tijd nodig om de prooi te verteren

SPIN 1(PN4): 1e prooi

10min

58min

2e prooi

/

 

Opmerkingen: De spin loopt rond met zijn prooi. Een tweede prooi wordt geweigerd. De andere collembolen proberen uit de buurt van de spin te blijven, als Pelecopsis memoralis een prooi vastheeft.

 

Tijd nodig om de prooi te vangen

Tijd nodig om de prooi te verteren

SPIN 1: 1e prooi

1min

/

SPIN 2(PN3): 1e prooi

5sec

4min

2e prooi

5min

15min

Opmerkingen: Het experiment met Spin 1 werd voor de kerstvakantie gedaan en de spin, afkomstig van Els Tijskens, is niet Pelecopsis memoralis, maar Typhochrestus digitatus. Bij dit experiment werd ervaren dat de spin de springstaart onsmakelijk vond. Na zijn prooi gevangen te hebben, begint de spin snel rond te lopen in de arena. Na een tijdje zenuwachtig rondgelopen te hebben, werd de springstaart van de cheliceren verwijderd. Het vermoeden dat het ‘alarmferomoon’, dat uit het diertje komt, een kleverige stof is, is hier duidelijk. De spin wil de springstaart weggooien, maar kan niet, pas na enkele minuten lukt dit.

Bij Spin 2, die Xenylla humicola wel at, wordt achteraf gezien dat Pelecopsis memoralis zijn cheliceren uitgebreid schoonmaakt met de pedipalpen.

 

Tijd nodig om de prooi te vangen

Tijd nodig om de prooi te verteren

SPIN 1(PN13): 1e prooi

5min

15min

2e prooi

30min

25min

3e prooi

1u

/

4e prooi

1u 4min

/

5e prooi

1u 9min

41min

Opmerkingen: Prooi drie en vier worden weggegooid. Van de vijf prooien is er na drie dagen nog één over.

 

Tijd nodig om de prooi te vangen

Tijd nodig om de prooi te verteren

SPIN 1(PN13): 1e prooi

3sec

30min

2e prooi

2min

28min

3e prooi

32min

?

SPIN 1(PN2): 1e prooi

4sec

10min

2e prooi

11min

20min

3e prooi

46min

?

Opmerkingen: De prooien zijn enkel Brachystomella parvula. Spin 1 vangt niet direct een tweede springstaart, om samen met de eerste te verteren, maar probeert toch een Isotoma viridis te vangen, wat zeker niet gemakkelijk is met al een Brachystomella parvula tussen de chelicerae. Pelecopsis memoralis geeft dit na een tijdje op en vangt toch een tweede Brachystomella parvula.

Spin 2 gaat actief jagen op Isotoma viridis na de twee eerste prooien, die beide van de soort Brachystomella parvula zijn. Dit geeft hij op na een kwartier en vangt een derde Brachystomella parvula.

Bij beide experimenten is niet meer gekeken hoelang de spin over de vertering van de derde prooi doet.

4.4. Scanning Elektronenmikroscoop

Xenylla humicola (Hypogastruridae) en Ceratophysella gibbosa (Hypogastruridae) vertonen dorsaal regelmatig een aantal ‘kale’ plekken (Bijlage 53-57). Bijlage 56 toont twee duidelijke ‘kale’ plekken op het tergiet van het derde laatste segment van het abdomen van Ceratophysella gibbosa. Deze ‘kale’ plekken worden gekenmerkt door de

afwezigheid van haren en secundaire structuren van de cuticula. Dit zouden zwakkere, meer kwetsbare plaatsen op het lichaam kunnen zijn.

Bij Brachystomella parvula (Brachystomellidae) werden deze ‘kale’ plekken ook op regelmatige plaatsen aangetroffen, deze foto’s zijn spijtig genoeg verloren gegaan.

Bij Folsomia candida (Isotomidae) is er geen spoor van dergelijke ‘kale’ plaatsen op het lichaam (Bijlage 58). Folsomia candida vertoont ook geen secundaire structuren van de cuticula (Bijlage 59).

4.5. Chromatografische analyse

In totaal zijn 83.81% van alle opgeloste stoffen geïdentificeerd.

Totaal piekoppervlak: 416387

1 Piek 2.57: 9:0 0.14%

2 Piek 4.33: 12:0 ANTEISO 0.16%

3 Piek 4.60: 12:0 0.27%

4 Piek 5.39: 13:0 ANTEISO 0.16%

5 Piek 6.52: 14:0 ISO 0.08%

6 Piek 6.90: 14.1 w5c 0.69%

7 Piek 7.03: 14:0 2.78%

8 Piek 7.96: 15:0 ISO 0.26%

9 Piek 8.10: 15:0 ANTEISO 0.39%

10 Piek 8.53: 15:0 0.45%

11 Piek 9.55: 16:0 ISO 0.23%

12 Piek 9.80: 16:1 w9c 0.37%

13 Piek 9.86: 16:1 w7c 5.61%

14 Piek 10.01: 16:1 w5c 0.38%

15 Piek 10.16: 16:0 6.18%

16 Piek 11.23: 17:0 ISO 0.18%

17 Piek 11.39: 17:0 ANTEISO 0.83%

18 Piek 11.51: 17:1 w8c 1.63%

19 Piek 11.86: 17:0 0.27%

20 Piek 12.86: 18:3 w6c (6,9,12) 0.20%

21 Piek 13.11: 18:1 w6,9c 5.93%

22 Piek 13.21: 18:1 w9c 65.39%

23 Piek 13.45: 18:1 w5c 0.96%

24 Piek 13.60: 18:0 2.17%

25 Piek 14.41: 19:1 ISO I 0.14%

26 Piek 14.69: 19:0 ISO 0.97%

27 Piek 14.91: 19:1 w11c/19:1 w9c 0.17%

28 Piek 15.46: 18:1 2OH 0.32%

29 Piek 16.01: 20:4 w6,9,12,15c 1.21%

30 Piek 16.39: 20:0 ISO 0.31%

31 Piek 16.65: 20:1 w9c 1.18%

In totaal zijn 88.81% van alle opgeloste stoffen geïdentificeerd.

Totaal piekoppervlak: 58387

1 Piek 7.03: 14:0 2.77%

2 Piek 9.86: 16:1 w7c 13.26%

3 Piek 10.16: 16:0 20.73%

4 Piek 11.50: 17:1 w8c 0.86%

5 Piek 12.86: 18:3 w6c (6,9,12) 1.16%

6 Piek 13.11: 18:1 w6,9c 2.85%

7 Piek 13.20: 18:1 w9c 40.35%

8 Piek 13.29: 18:1 w7c 0.75%

9 Piek 13.60: 18:0 8.44%

10 Piek 16.01: 20:4 w6,9,12,15c 8:83%

In totaal zijn 97.69% van alle opgeloste stoffen geïdentificeerd.

Totaal piekoppervlak: 62223

1 Piek 2.56: 9:0 0.44%

2 Piek 4.60: 12:0 0.43%

3 Piek 7.03: 14:0 3.88%

4 Piek 7.97: 15:0 ISO 3.19%

5 Piek 8.54: 15:0 1.86%

6 Piek 9.86: 16:1 w7c 4.54%

7 Piek 10.16: 16:0 20.16%

8 Piek 12.87: 18:3 w6c (6,9,12) 2.09%

9 Piek 13.11: 18:1 w6,9c 27.90%

10 Piek 13.20: 18:1 w9c 22.94%

11 Piek 13.60: 18:0 7.41%

12 Piek 16.02: 20:4 w6,9,12,15c 4.23%

13 Piek 16.59: 20:2 w6,9c 0.92%

In totaal zijn 100.00% van alle opgeloste vetzuren geïdentificeerd.

Totaal piekoppervlak: 2168 (dit is onvoldoende, er is minimaal oppervlak van 50000 nodig om betrouwbaar te zijn)

1 Piek 7.03: 14:0 8.99%

2 Piek 10.16: 16:0 42.19%

3 Piek 13.20: 18:1 w9c 23.90%

4 Piek 13.60: 18:0 24.92%

In totaal zijn 100.00% van alle opgeloste vetzuren geïdentificeerd.

Totaal piekoppervlak: 2409 (dit is onvoldoende, er is minimaal oppervlak van 50000 nodig om betrouwbaar te zijn)

1 Piek 10.16: 16:0 41.62%

2 Piek 13.20: 18:1 w9c 35.47%

3 Piek 13.60: 18:0 22.91%


Go to the first, previous, next, last chapter, overview.