Go to the first, previous, next, last chapter, overview.

4. Studiegebied

4.1. Inleiding: kustduinen in Vlaanderen

In het begin van deze eeuw telde de Vlaamse kust nog een 6000 ha kustduinen. Door expansie van de wooncentra, hoofdzakelijk veroorzaakt door de uitbreiding van het massatoerisme, beslaat dit onbebouwd duingebied heden slechts 3400 ha. Slechts in enkele gemeentes vinden we nog aaneengesloten duincomplexen: in de Panne (700 ha), Koksijde (570 ha), De Haan (330ha) en Knokke-Heist (350 ha). Deze versnippering kwam de kwaliteit van onze duingebieden zeker niet ten goede. Een andere boosdoener is de waterwinning. Het drinkwater geleverd door het zoete duinwater is van zeer goede kwaliteit. De Intercommunale Waterleidingsmaatschappij Veurne-Ambacht (I.W.V.A.) baat aan de Westkust van Vlaanderen drinkwaterwinningen uit in De Panne en te Koksijde. Het oppompen van het duinwater veroorzaakt een ernstige verdroging van de duinbodem. Deze antropogene ingreep is verantwoordelijk voor een verstoring van de grondwaterspiegel, met als gevolg de verdwijning van de typische freatische vegetaties in het duinecosysteem: de ondergang van één van Vlaanderens zeldzaamste biotopen.

Toch is er het groeiende besef bij de mens dat er een punt moet worden gezet achter de uitdeinende verstedelijking. De bescherming van de kustduinen is tegenwoordig een prioritaire zaak voor de natuurbehoudsverenigingen. Zijn tegenstanders daarentegen, het "groot kapitaal" hebben er alle belang bij de resterende duinen om te toveren in commercieel interessante doeleinden zoals bouwgrond, golfterrein en waterwinningsgebied.

4.2 Localisering studiegebied (fig.4.1)

Het duinencomplex van "De Westhoek" is gelegen in het uiterst westelijk deel van de provincie West-Vlaanderen, op het grondgebied van de gemeente De Panne. Door het K.B. van 29 augustus 1957 kregen 340 ha 27 à 31 ca van het gebied, het statuut van natuurreservaat. Samen met de Hoge Venen was dit het eerste natuurreservaat in België (Hoys et al., 1996).

In het noorden wordt het staatsnatuurreservaat "De Westhoek" begrensd door een betonnen verstevigingsdijk die de duinen scheidt van het strand. Aan de noordoostelijke grens ligt het "Vissersdorp": een verkaveld duingebied van ± 60 ha. Het Calmeynbos met aanpalende duinen, eigendom van de I.W.V.A. vormt de oostgrens. In het zuiden bevindt zich de Duinhoekstraat op de natuurlijke grensovergang duin-polder, terwijl de westelijke grens samenvalt met de landsgrens België-Frankrijk. Aan Franse zijde bevinden zich de Dunes du Perroquet (225 ha, site classé)(Hoys et al., 1996).

Fig. 4.1 Situering van het staatsnatuurresservaat "De Westhoek" (bron: toppogr. kaarten 1978 (19/3-4) en 1985 (11/7-8) van het N.G.I.)

1 = staatsnatuurreservaat "De Westhoek"; 2 = Westhoekverkaveling (Vissersdorp); 3 = zeereepduinen De Panne; 4 = Calmeynbos + duinen (waterwinning); 5 = Oosthoekduinen; 6 = strand12 = staatsnatuurreservaat "Houtsaeger"; 7 = camping "le Perroquet"; 8 = Dunes du perroquet; 9 = polder; 10 = Cabourg-domein; 11 = Dunes Fossiles de Ghyvelde

4.3. Karakterisatie van het gebied

4.3.1. Abiotische factoren (naar Hoys et al., 1996; Hoffman et al., 1996)

4.3.1.1. Klimatologie

a) Macroklimaat

Het Vlaamse kustgebied kent een gematigd vochtig klimaat dat zich onderscheidt van het binnenlands klimaat door de relatief zachte winters, de grotere luchtvochtigheid en de sterkere windkracht.

De temperatuur wordt beïnvloed door de nabijheid van de zee. Hierdoor zijn de temperaturen in de winter hoger dan in het binnenland en die in de zomer lager. De Westhoekduinen zijn gelegen in een zone met een gemiddelde luchttemperatuur die schommelt tussen 9,5C en 10C (Poncelet & Martin, 1947). Januari is de koudste maand met een gemiddelde minimumtemperatuur van 1,1C en een gemiddelde maximum temperatuur van 5,0C. De warmste maand is augustus met gemiddelde minimum temperatuur van 12,4C en een gemiddelde maximum temperatuur van 20,5C (Bodeux, 1976).

De jaarlijkse hoeveelheid neerslag is gemiddeld lager dan deze in het binnenland. De kust ontvangt jaarlijks tussen de 750 en 800 mm neerslag. Februari is de droogste maand; oktober veruit de natste. De kuststreek krijgt het minste neerslag gedurende de maanden februari tot augustus.

De relatieve vochtigheid neemt af met toenemende afstand tot de zee en er treedt een grotere seizoenalgebonden variatie op naar het binnenland toe. De laagste waarden worden bereikt in april tot juni. Het verzadigingsdeficit aan de kust ligt aanzienlijk lager dan in het binnenland (Bodeux, 1975). De waarden zijn het hoogst in de maanden mei tot en met augustus.

Qua windsnelheden worden de hoogste gemiddelden bereikt nabij de zee. Twee maxima worden gedurende het jaar onderscheiden: in maart en in november; in juli waait de wind gemiddeld het zwakst (Landuyt et al., 1992). De wind komt voornamelijk uit de Z-W sector.

De zone waarin de Westhoekduinen zijn gelegen, wordt gekenmerkt door de hoogste jaarlijkse gemiddelde zonneschijnsduur van Vlaanderen, namelijk 1700 uur (Dogniaux, 1979).

b) Microklimaat

In de duinen kan het microklimaat sterk afwijken van het globale macroklimaat. Verschillende factoren zijn hierbij bepalend. Ten eerste is er een verschil in hoogteligging. Tevens speelt ook een verschil in expositie t.o.v. de inkomende zonnestraling een belangrijk rol. Zo kan op zuidhellingen de temperatuur oplopen tot 70C (De Raeve, 1991). De waterhuishouding van de bodem is een derde factor. Figuur 4.2 illustreert het verloop van de temperatuurschommelingen aan het oppervlak en in de bodem voor kaal duinzand en voor duinzand onder duindoornstruweel.

Voor beide situaties geldt dat de temperatuurschommelingen het hoogst zijn aan het oppervlak; de grootte van de schommelingen neemt af met de diepte totdat op een bepaalde diepte een constante temperatuur bereikt wordt. De diepte tot waar schommelingen optreden, is afhankelijk van de warmtegeleidingscoëfficient. De figuur toont ook de sterke invloed van de vegetatie. In de bodem, bedekt met een losse 5 cm dikke laag grasresten van duinriet, zijn de temperatuuramplituden veel geringer en de gemiddelde temperatuur ligt op alle diepten veel lager.

De structuur van de oppervlakkige laag speelt een rol. Een vochtige zandbodem met een laag droog strooisel of mos van enkele cm dikte fungeert als een sterk isolerende laag (geringere geleidbaarheid) en zal geringere temperatuurschommelingen vertonen dan een kale zandbodem.

Fig. 4.2 Bodemtemperaturen tussen 13 juni 1958, 9.00h en 14 juni, 5.00h in duizand onder duindoornstruweel (links) en in kaal duinzand (rechts) (Stoutjesdijk 1961).

Het warmtegeleidend vermogen speelt ook een belangrijke rol bij het binnendringen van de vorst in de bodem. Vooral bij korte vorstperioden kan een bodem bedekt door een laag organisch materiaal met laag geleidingsvermogen het verschil betekenen tussen bevriezen en niet bevriezen van de bodem. Tabel 4.1 toont de bodemtemperaturen in vrijwel kaal duinzand en in zand met een dichte moslaag (Barkman et al., 1987). De luchttemperatuur bedroeg 0,8C. In een bodem bedekt met een ruige vegetatie met mos kunnen bodemfauna bij vorst nog actief zijn, terwijl dit in kort grasland of ijl begroeid duinzand niet meer mogelijk is.

Het watergehalte speelt bij het bevriezen van de bodem ook een belangrijke rol. Dit brengt ons bij de volgende factor: de hydrologische toestand van de bodem, waarbij grondwater en bodemvocht een temperende werking hebben op temperatuursextremen. Niet alleen de warmtecapaciteit en het geleidingsvermogen van water beïnvloeden het bevriezingsproces, ook komt er bij dit proces warmte vrij zodat de vorst langzaam dieper in de bodem dringt; het ontdooiingsproces gaat eveneens langzaam.

Tabel 4.1: Temperaturen in kaal duinzand en in zand bedekt door een dichte moslaag.

De temperende werking van de vegetatie op temperatuurschommelingen werd reeds aangehaald. Daarnaast geeft vegetatie ook schaduw, verandert de lichtkwaliteit en -intensiteit, remt de wind, maakt de lucht door verdamping vochtiger en kan met haar wortelgestel meer water vasthouden in de bodem.

4.3.1.2. Pedologie

a) fysische bodemkenmerken

De duinzanden zijn algemeen genomen grof tot middelmatig fijn met een verwaarloosbaar kleigehalte (<2 m m) en een geringe leemfractie (2-50 m m) (Moormann & tJonck, 1960). De korrelgrootte van de bodemsedimenten vertoont een sterke heterogeniteit tussen de noordelijke en de zuidelijke helft van het gebied.

In de noordelijke helft is de moduswaarde gemiddeld 188 m m, terwijl deze in de zuidelijke helft gemiddeld 210 m m bedraagt. Een gedeelte van de zeereep, waar zich ook de hoogste duintoppen bevinden, bevat iets fijner materiaal (fig.4.3). Verder bestaat er een duidelijk textuurverschil tussen het iets grovere duindepressiezand (190-211 m m) en het duintopzand (187-210 m m). Figuur 4.4 toont een veralgemeend dwarsprofiel doorheen het strand en duincomplex van de westhoek.

Fig. 4.3 Moduswaarden van de oppervlaktezanden in de Westhoek (uit Depuydt, 1966)

Duinzanden hebben door hun zandige textuur een zeer gering vochthoudend vermogen. Door toename van het humusgehalte verbetert de vochtvoorziening in deze bodems (Klijn, 1981). De hoeveelheid water in de duinbodems is afhankelijk van de porositeit, het al dan niet in contact staan met de grondwatertafel, klimatologische omstandigheden, humusgehalte, enz.

b) chemische bodemkenmerken

Het kalkgehalte van het strandzand (>10%) is hoger dan voor het duinzand (fig.4.5). In de duingordel zelf is het gehalte het hoogst in de duingordel ten noorden van het Centraal Wandelduin met waarden van 6% tot 8%, met uitzondering van enkele paraboolkernen waar het 4% tot 6% bedraagt. Het oostelijk gedeelte van het Centraal Wandelduin heeft eveneens een kalkgehalte van 4% tot 6%. In de zuidelijke duinengordel ligt het gehalte veelal beneden de 4%, behalve in de centrale duinrug waar de waarde 4% tot 6% bedraagt. In de Oude Duinen (Ghyvelde-Adinkerke) ligt het kalkgehalte beneden de 2%. Deze duinen zijn praktisch volledig ontkalkt.

Fig. 4.4 Schematische doorsnede doorheen de Westhoek, van het strand tot aan de polders (uit De Ceunynck, 1987).

Legende:

1 = duinzand van de Jonge Duinen (ontstaan tussen 8ste-11de eeuw);

2 = strandzanden gevormd na de 11de eeuw

3 = klei/veen-complex gevormd tussen de 1ste eeuw vóór en de 8ste eeuw na Chr.;

4 = Oude Duinen van De Panne (minstens 2800 jaar oud);

5 = oudere zeeafzettingen;

Zone I = huidige Jonge Duinen op recente strandafzettingen

Zone II = huidige Jonge Duinen op Oude Duinen van De Panne;

Zone III = huidige Jonge Duinen op vroegere polders;

Zone IV = huidge polders

Gegevens over het organisch koolstof (OC) gehalte zijn schaars. Enkele geanalyseerde profielen in de Westhoek vertonen een zeer laag gehalte (0,3% en minder)(Maseki, 1991). Boerboom (1963) vond in de Wassenaarse duinen (Nederland) zeer lage hoeveelheden organisch materiaal (OM) voor de eerste duinrug begroeid met biestarwegras en helm, de tweede duinrug begroeid met duindoorn en vegetatietypes met mos-en korstmosbegroeiingen (0,4 tot 0,8%). De stikstofgehaltes gevonden in de Westhoek zijn eveneens zeer laag. Voor de andere nutriënten zijn geen gegevens voorhanden

Fig. 4.5 Kalkgehaltebepaling van de Westhoeksedimenten, die zich voordoen aan het huidig evoluerend oppvlak (uit Depuydt, 1966).

.

4.3.2. Biotische factoren (naar Hoys et al., 1996)

4.3.2.1. Flora en vegetatie

Hoys et al.(1996) beschrijven de flora en vegetatie uitvoerig in het beheersplan voor het Westhoekreservaat.

Tussen 1900 en 1995 werden in totaal 440 taxa van hogere planten (Spermatofyten en Pteridofyten) in het studiegebied waargenomen, waarvan er 399 recent nog te vinden zijn. In Belgische context is dit een zeer hoog aantal. Op basis van de "soorten-oppervlakte relatie van de Belgische vaatplanten" (Stieperaere, 1980), kan gesteld worden dat het 340 ha grote Westhoekreservaat momenteel 2,5 maal meer soorten bevat dan kan verwacht worden voor een gebied met vergelijkbare oppervlakte binnen de Noord- Belgische norm.

De soorten uit het reservaat, die in de voorlopige Standaardlijst van de Vlaamse flora (Cosyns et al., 1994) opgenomen werden, behoren tot 37 ecologische groepen. De volgende ecologische groepen zijn het best vertegenwoordigd: groep 72: matig bemeste graslanden op (matig) vochtige grond (28 taxa, 7,3%) en groep 82: zomen, kapvlakten en jonge aanplanten op voedsel - (vooral stikstof-) rijke, neutrale, humeuze, matig vochtige grond (27 taxa, 7,1%). Van de minder sterk vertegenwoordigde groepen is vooral groep 13 opvallend: hoge schorren en contactsituaties tussen zout en zoet milieu (2 taxa, 0,5%). Dit zijn soorten van een milieu dat nochtans kan voorkomen in het Westhoekreservaat. Het minst vertegenwoordigd zijn groep 65: muren en rotsen (1taxon, 0,3%) en groep 94: bossen op voedselarme tot matig voedselrijke, neutrale tot kalkhoudende grond en ravijnbossen (1taxon, 0,3%).

De soorten kunnen ook ingedeeld worden in zeldzaamheidsklassen volgens de voorlopige Standaardlijst van de Vlaamse flora (Cosyns et al., 1994). Opmerkelijk is het hoge aantal marginale, uiterst zeldzame en zeer zeldzame soorten (samen bijna 18,3% van het totaal aantal soorten).

De huidige flora van het reservaat omvat 92 (± 23%) Rode Lijst- soorten en 41 soorten zijn verdwenen en recent niet meer waargenomen. Vooral soorten behorende tot ecologische hoofdgroep 3: oevers en moerassen en hoofdgroep 7: graslanden en dwergstruikvegetaties, zijn sterk achteruitgegaan. Verdwenen zijn o.a. hondskruid (Anacamptis pyramidalis), knopbies (Schoenus nigricans)en soldaatje (Orchis militaris). Dit hoge aantal zeldzame en kwetsbare taxa is opmerkelijk en verschaft het reservaat een bijzondere botanische waarde.

Een grondige vegetatiestudie van het Westhoekreservaat is uitgevoerd en beschreven door DHondt (1981) in het beheersplan voor het reservaat.

4.3.2.2. Fauna

Niet alleen botanisch, maar ook zoölogisch heeft het reservaat heel wat te bieden. De avifauna telt 127 soorten, waarvan 54 momenteel tot de regelmatige broedvogels van het reservaat behoren. Enkele belangrijke en meest typische broedvogels zijn braamsluiper (Sylvia curruca), groene specht (Picus viridis), grasmus (Sylvia communis), nachtegaal (Luscinia megarhynchos), strandplevier (Charadrius alexandrinus). Sommige soorten zijn als broedvogel sterk achteruitgegaan, oa. boompieper (Anthus trivialis) en tapuit (Oenanthe oenanthe)(Billiau, 1992), terwijl anderen, door de toegenomen verstruweling, erop vooruitgegaan zijn, zoals o.a. tuinfluiter (Sylvia borin) en roodborst (Erithacus rubecula).

Twaalf soorten zoogdieren werden recent waargenomen, waaronder het damhert (Dama dama) en de siberische grondeekhoorn (Tamias sibiricus) als exoten, de veldspitsmuis (Crocidura leucodon) als zeldzaamste soort en de vos (Vulpes vulpes) als recentste aanwinst (Tack et al., 1993). Het konijn (Oryctolaqus cuniculus) kent al een lange geschiedenis in het reservaat en met zijn talrijke vertegenwoordigers heeft het een zeer grote invloed op de ontwikkeling van de vegetatie en de bodem.

De belangrijkste vertegenwoordigers van de amfibieën zijn de rugstreeppad (Bufo calamita) en de alpenwatersalamander (Triturus a. alpestris) en de kamsalamander (Triturus c. cristatus) (De Fonseca, 1980). De levendbarende hagedis (Lacerta vivipara) is de enige reptielensoort die in het reservaat voorkomt.

Wat de insekten betreft, zijn de loopkevers (Coleoptera-Carabidae) één van de weinige groepen die relatief goed gevolgd worden. De soortenlijst telt 77 soorten. (Desender et al., 1991). Het reservaat herbergt ook enkele typische soorten rechtvleugelen (Orthoptera) zoals o.a. de sterk bedreigde blauwe duinsprinkhaan (Oedipoda caerulescens) en zuidelijk spitskopje (Conocephalus discolor) evenals de zeldzame kustsprinkhaan (Chorthippus albomarginatus) en knopsprietje (Myrmeleotettix maculatus) (Decleer & Devriese, 1992). De meest voorkomende dagvlinders (Lepidoptera) zijn de heivlinder (Hipparchia semele) en de kleine parelmoervlinder (Issoria lathonia). Wat de libellen (Odonata) betreft zijn zon 10-tal soorten waargenomen. Een soortenlijst van de spinnen (Araneae) werd reeds opgesteld door Hublé (1975-1976) en door Maelfait et al. (1996) en telt zon 140 soorten.


Go to the first, previous, next, last chapter, overview.